Onderzoek

Promotieproject “Vaders en zonen in vroegrabbijnse parabels”

Aan de Universiteit Utrecht doe ik als promovenda onderzoek naar de relatie tussen Joodse kinderen en hun ouders in de laatantieke oudheid. Als basis van mijn onderzoek gebruik ik parabels uit 3e/4e-eeuwse geschriften van het rabbijnse jodendom. Deze parabels (ook wel gelijkenissen genoemd) bestaan uit een kort, realistisch verhaaltje dat een religieuze boodschap uitdraagt in de toepassing. Vaak schetsen de rabbijnen met behulp van een parabel over ouders en kinderen (voornamelijk over vaders en zonen) een beeld van de relatie tussen God en mens of, meer specifiek, God en het volk Israël.

Een voorbeeld van een vroegrabbijnse parabel

“De komkommers …” (Num 11:5).

Rabbi Simeon zei: Het manna veranderde voor hen [de Israëlieten] in elke smaak die ze wensten, uitgezonderd de vijf soorten [de producten genoemd in Num 11:5].

Een parabel. Waar lijkt het op? Het lijkt op een menselijke koning die zijn zoon aan een pedagoog overhandigde. Hij [de koning] ging zitten en beval hem [de pedagoog]: “Alsjeblieft, hij [de zoon] mag geen slecht voedsel eten en hij mag geen slechte drank drinken.” Aangaande dit alles klaagde de zoon over zijn vader, zeggende: “Het is niet omdat hij van mij houdt, maar omdat hij niet wil dat ik het eet.”
(Sifre Num. 87, vertaling A.O.)

Bovenstaande parabel is een typisch voorbeeld van een rabbijnse parabel. Na een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel (over de producten uit Egypte waar de Israëlieten in de woestijn naar terug verlangden) volgt een korte toelichting van een rabbijn. Daarna volgt de eigenlijke parabel. In deze parabel wordt Israël vergeleken met een zoon die de goede bedoelingen van zijn vader in twijfel trekt. Meestal volgt bij rabbijnse parabels een korte terugkoppeling naar de Bijbeltekst (de toepassing), maar deze is bij deze parabel afwezig.

In mijn onderzoeksproject laat ik zien hoe ouder-kindrelaties in vroegrabbijnse parabels worden gekarakteriseerd door een dynamiek tussen de autoriteit van de vader en de agency (het handelingsvermogen) van het kind. Waar de vader met de uitoefening van zijn autoriteit beïnvloedt hoeveel ruimte het kind heeft om te handelen, bepaalt het kind hóe het zijn/haar agency in wil zetten: Gaat hij/zij doen wat de vader wil? Of toch maar niet? En hoe gaat de vader hierop reageren? Eén van de onderliggende vragen van vroegrabbijnse parabels is of het kind de autoriteit van zijn vader wil erkennen en zich wil gedragen naar diens normen en waarden.

Met de constante dynamiek tussen de autoriteit van de vader en de agency van het kind drukken de parabels de interactie tussen de autoriteit van God en de agency van Israël uit in de toepassing. Zal Israël Gods religieuze normen en waarden vervullen? Door het gedrag van het kind in de parabel impliciet of expliciet goed of af te keuren sturen de rabbijnen het oordeel van hun eigen publiek over Israëls houding in de toepassing en laten ze hen indirect weten welke houding tegenover God wel of niet geoorloofd is.


Mijn promotieproject is onderdeel van het door NWO gefinancierde onderzoeksproject “Parabels and the Partings of the Ways.” Binnen dit bredere onderzoeksproject worden vroegchristelijke en vroegrabbijnse parabels verzameld, vertaald en met elkaar vergeleken om meer informatie te verkrijgen over de scheiding tussen het jodendom en het christendom in de oudheid. De website van ons “Parabelproject” (incl. interessante blogs!) is hier te raadplegen.

Onze projectwebsite: www.parabelproject.nl